Homepage

Griekenland - Mykonos
Tekst: Joyce Frey
Reistijd: september - oktober 2001

   

 

 

Start Griekenland

Corfu

Lesbos

Mykonos

Santorini

Zakynthos. Joyce

Zakynthos. Arie

           
Mijn hotel lag ver boven de stad Mykonos. Het was eenvoudig, maar had in ieder geval een zwembad. Het water was ijskoud. Toen ik de omgeving bekeken had, dat niets te bieden had, besloot ik naar de stad te gaan. Men had mij de kortste weg gewezen. Naast een garage moest ik via een steile weg naar beneden gaan.
Halverwege stond een ronde, schitterende witte molen, die met Persil gewassen kon zijn. Daaronder lagen de daken van de witte stad. Verder weg kon ik een rij witte molens zien, die dicht bij de zee stonden.
Ik had de stad gevonden met zijn nauwe straatjes, veel winkels en restaurants.
Het was erg gezellig, ook langs de haven. Ik kwam Petros tegen.
Een pelikaan.
Hij is het mascotje van het eiland en die liep waggelend door de straat.
Het beviel me hier. Later in de middag ging ik weer naar het hotel. Het was een hele klim en ik moest vaak stil blijven staan, om de stad onder me te zien. Om niet te liegen; die pauzes waren er om weer op adem te komen. Ik had het hotel bereikt.

Paradijselijk oord: Mykonos

Als bonus mocht ik nog de trappen naar mijn kamer beklimmen.
Voor mijn deur zaten twee katten. Ze lieten zich aaien. Ik ging niet mijn kamer binnen. Ik liep de trappen weer af, om beneden, aan de overkant van de straat, kattenvoer te kopen.
De katten waren er nog en lieten het zich goed smaken. Ik ging nog een poosje naar het zwembad.
Toen ik later weer naar de stad wilde gaan, zaten er vier poezen voor de deur. Ze kregen allemaal een handvol eten en ik liep de berg weer af.
Op een terras van een restaurant wou ik me eens heerlijk met een avondmaal laten verwennen.
Ik had vis besteld. Mijn eten kwam. Een stuk vis, een aardappel en een beetje groente. Voordat ik een stukje vis kon eten, zaten er al een paar katten naast me te bedelen.
Ik verdeelde de vis onder de poezen en at zelf de aardappel en de groente. Dat was een duur maaltje geweest.
De volgende dag ging ik met de bus, die tegenover het hotel stopte, naar het Paradise strand  
Ik dacht er te zijn en stapte uit. Weer moest ik een hoop steile trappen naar omlaag lopen, om op het strand te komen.
Daar zag ik alleen maar naakte lichamen.
Dat was niet het strand dat ze me beschreven hadden.

Met moeite klom ik weer alle trappen op en liep een stuk over de weg, om later weer een paar trapjes af te lopen.
Hier waren mensen die een beetje stof op hun huid droegen. Hier lag ik een paar uur in de zon en zwom in het helder blauwe water van de zee. Al vlug had ik genoeg van het niets doen. De volgende morgen ging ik naar de boot die naar
Delos voer. Op het eiland aangekomen slenterde ik langs de ruïnes, die al meer dan 2000 jaar oud waren. Ze waren imponerend. Ik zocht naar de leeuwen die je op elke folder van Delos kunt zien. Ik vond er vier die nog goed in takt waren.
In de middag ging ik weer terug. Voor mijn kamerdeur zat een hele schare katten.
Ik voerde ze. Dagen later stond ik s-morgens vroeg op straat om afgehaald te worden, voor een bezoek aan Syros. Deze uitstap had ik bij een reisonderneming geboekt. Ik stond en stond, en stond, zolang dat mijn benen bijna door m'n heupen geschoten waren. Uiteindelijk ging ik naar de receptie om eens na te laten vragen.
De jongeman die daar werkte, of deed alsof hij dat

de leeuwen van Delos

deed, draaide het nummer van de organisatie en gaf mij de hoorn in de hand. Ik zei, dat ik al in de haven had moeten zijn. Na een lange tijd stilte, gaf ik de hoorn aan de luilak. Toen hun gesprek klaar was, kreeg ik de telefoon weer.
Mij werd verteld, dat ze me vergeten waren. Ik kon de tour een week later inhalen. Dag uitstapje. Ik ging naar mijn kamer en haalde mijn badspullen om naar het strand te gaan. Laat in de middag kwam ik terug in het hotel. Voor mijn deur zaten wel twintig katten.
Een paar katten waren zo brutaal om mee naar binnen te gaan.
Ik nam het kattenvoer en liep er mee de trappen af, om achter een muurtje het voer te verdelen. De katten aten begerig en het pak was leeg. Ik moest steeds weer voer kopen om die katten van mijn kamerdeur weg te krijgen.
Een paar dagen later zou ik naar Timos gaan. Weer stond ik voor het hotel  te wachten op een bus of auto, die me zou ophalen.
Na een kwartier stond ik er nog steeds.
Ik ging terug naar de receptie en zei de luilak, dat ik al lang weg had moeten zijn. Hij zei dat ik nog moest wachten, om dat het vaak gebeurde, dat ze later kwamen.
Ik werd boos en zei dat hij direct dat bureau moest bellen om te vragen of ze me al weer vergeten waren. Hij deed het met tegenzin. Toen het gesprek beëindigd was, zei hij dat ik met hem in de auto moest stappen. Hij moest me naar de haven brengen. Toen we daar waren aangekomen, konden we zien dat het schip al van de oever weg voer.
Nu zag ik zwart van woede !
Een tweede uitstap liet ik me niet ontgaan. Ik ging behoorlijk te keer, toen hij zei dat ik de toer ,de volgende week kon maken.
Met een rode kop stapte hij uit de auto  en liep naar een man, die iets beters moest zijn als hij, naar zijn kleding te oordelen.
De luilak kwam naar me toe en zei dat ik even wachten moest.
Even later kwam de andere man die me een ticket voor een andere

Detailkaart EgeÔse zee

boot, in de hand stopte. Ik moest overstappen, naar zijn auto. We reden naar een andere haven,  waar ik rennen moest om op die boot te komen, die zijn touwen al had binnen gehaald. Het was een heel groot en luxueus schip.
Maar hoe groot het ook was, we werden heftig door elkaar geschud. Waarschijnlijk was de Egeïsche zee, altijd erg onrustig. Toen we Tinos aan meerden, rende ik van boord en volgde de aanwijzingen op die ik, op weg naar de haven, gekregen had. Ik liep snel naar de enige taxi die er te zien was. Met hem liet ik me naar de kerk brengen die hoog boven de stad gelegen was.
Daar zocht ik een groep  toeristen die Duits spraken. De gids moest een rood/witte pet op zijn kop hebben. Hier waren zoveel mensen en groepen dat het me beter leek, onder aan de trap van de kerk te wachten.
Het duurde een poos totdat er een groep toeristen uit de bijgebouwen kwam. Een man met een rood/witte pet keek naar me en zwaaide.
Ik ging naar hem toe. Hij was de man die ik zocht.
De bezichtiging van de kerk had ik al gemist. Na de welvaartskerk gingen we naar een nonnenklooster, dat hoog in de bergen lag.
Daarna reden we naar een idyllische baai, waar we gingen eten.
Ik ging zitten bij Thomas, de gids en een Duitse.
Natuurlijk vertelde ik dat ze me al twee keer vergeten waren.
Thomas zei direct dat het Andrea's schuld was. Ze was lui.

Tinos. evangelistria tempel

Ik kende Andrea niet, maar dat hier luie mensen leefde, was niets nieuws.
In elk geval vond hij het schandalig, wat er met mij was gebeurd.
Na een gemoedelijk etentje, reden we door een bergachtige omgeving, waar overal duivenhuisjes stonden.
Het waren geen duiventillen zoals bij ons, maar echte huisjes.      
Tegen de avond kwamen we bij de haven aan. Ik trof na een wandeling, de Duitse vrouw weer. We liepen naar een muurtje, waar we gingen zitten en praten met elkaar. We keken toe, hoe prachtig de zonsondergang was. Later konden we op de boot, die veel minder, als die waar ik mee aangekomen was.
Weer in Mykonos aangekomen, stond die man met de chique kleding, om mij te wachten, om de naar het hotel te brengen. 
Hij beloofd me om zich om mij te bekommeren, bij de nog in te halen uitstap.
Ik bracht de volgende dagen door met zonnebaden, wandelen en ik ging nog eens met de boot naar het eiland Delos, omdat de ruïnes met daar erg

geÔmponeerd hadden.

Tinos. Merkwaardige duivenhuisjes

De dag was gekomen, dat ik het uitstapje naar Syros kon gaan maken. ik liep naar de straat, maar geloofde niet daar opgehaald te worden.
Maat toch, het was niet te geloven. Hoewel ik te vroeg was, stond er een auto.
Een man steeg uit. Het was de man die beloofd had me af te halen.
We reden naar de haven, waar ik direct op de boot kon. En het was weer Thomas, met zijn rood/witte petje, die de reis begeleide. Toen we de haven verlieten gingen de golven tekeer, alsof ze een hevig onweer verwachten.
Het schip schommelde.
Ik keek over de reling, waaraan ik me vast houden moest, naar de zee en zag de zwarte golven, die trots een witte kroon droegen die tegen het schip kapot sloegen.
We kwamen op Syros aan. We zagen er weer kloosters, kerken en een prachtige natuur. Hoewel het al herfst was, zag alles nog zo groen, als bij ons in de zomer.
Groente groeide overal, de vruchtbomen hingen vol.
Zoals hier, zag geen enkel Grieks eiland er op deze tijd uit.

Syros

We bezochten kleine gezellige dorpjes, voor we s-avonds naar de haven  reden.
Ons schip zou pas over twee uur komen. Ik liep nog een tijd langs de haven en de smalle straatjes. Toen ging ik naar een restaurant in de haven.
Een Duits koppeltje zat daar ook. Ze lieten me bij hen zitten.
We babbelden wat, tot het tijd werd om naar de aanlegsteiger te gaan, waar we bijna nog een uur moesten wachten. De boot kwam met vertraging aan.
Na elf uur kwam ik terug in mijn hotel. Het huisje, waar de receptie was, lag al in het donker. terwijl er toch tot twaalf uur, iemand moest zijn. Ik was zo stom geweest mijn sleutel af te geven.
Hoe kwam ik nu in mijn kamer ? Overal was het donker. Ik ging de straat op, waar zoals ik dacht  'n politiewagen voorbij reed.
Ik hield hen aan en vroeg of zij me konden helpen in mijn hotelkamer te komen.
Ze verstonden niets. Ze waren van een sleepdienst.
Toen ging ik naar een hotel, dat dicht bij de onze lag.
Daar vroeg ik of zij me konden helpen om aan mijn sleutel te komen.

Ik had er echt geen zin in om op een hard bed, naast het zwembad te slapen.

Syros in de brandende zon

Zo warm waren de nachten niet meer.
Ook zij wisten geen telefoonnummer van een luilak, die tot twaalf uur op de receptie had moeten blijven.
Weer ging ik nar het hotel en probeerde vergeefs de deur open te krijgen. Het lukte niet. Toen zag ik in een van de kamers licht branden.
Ik liep er vertwijfeld heen en klopte aan.
Een jonge man, gekleed in onderbroek, opende de deur en vroeg wat ik wilde. Ik vertelde wat er aan de hand was.
Hij dacht dat ik misschien in een lege kamer kon gaan.
Hij trok een broek aan, dan probeerden we de deuren.
Maar ze waren gesloten. Nu ging hij mee naar de receptie.
Hij onderzocht de deur, die na veel proberen open ging.
Ik weet niet wat hij er aan geknoeid had, om hem zonder sleutel open te krijgen. We hadden de hele tijd in het Engels met elkaar gefluisterd en ik dacht, we konden Bonny en Clyde wel zijn, tijdens een inbraak.

Ferry op Syros

 

Toen ik eindelijk mijn kamer in kon, dankte ik hem hartelijk voor zijn hulp.
Toen ik de volgende dag bij de receptie om weer eens op mijn bus te wachten, zat mijn redder daar ook.
Ik vroeg waar hij heen ging.Want tijdens mijn ellende van de vorige nacht, waren we niet tot een privť gesprek gekomen. Hij zei dat hij naar Zürich vloog.

Mykonos

Mykonos

Toen ik hem vroeg waar hij woonde, zei hij St. Gallen. Toen ik begon te lachen, wilde hij weten wat er aan de hand was. Ik vertelde, hoe wij in de nacht  zoveel moeite hadden gedaan elkaar in het Engels te verstaan, terwijl we bijna buren waren.
Ik woonde nog geen twintig kilometer van hem af.........
 

 

  Joyce

printversie

098.2005