Azië - India - Rondreis India en Nepal - Delhi

Delhi
Tekst en foto's: Tjitske en Wiebe Idsinga
Reistijd: februari - maart 2003

India

 

     
 

Passage to India


We vertrekken op 19 februari 2003 voor een reis naar India en Nepal, we verwachten 15 maart weer terug te zijn, wel, het liep even anders...

Om vier uur ’s morgens uit bed, we reizen met de NS van Leeuwarden naar Schiphol, gratis vervoer, een aardige actie van de KLM, het hoorde bij het ticket. Op Schiphol vallen we in uitgebreide controles, de oorlog tegen Irak staat voor de deur, maar het lukt, om 11.45 uur vertrekken we naar Delhi in India.
 
In het toestel zien we al veel tulbanden in alle kleuren, de bekende rode stippen op het voorhoofd, ja, we zitten goed, volgespoten tegen allerlei onheil als buiktyfus en andere ziektes en de zakken vol met anti-malaria-pillen gaan we op weg naar Azië, voor de eerste keer, spannend.

Om Delhi binnen te komen valt niet mee, de beambte doet het rustig aan, zijn stempeltje doet het niet zo goed en ook al staat er een enorme rij, dat stempeltje wordt met engelengeduld uit en weer in elkaar geprutst, hij zucht, hij kreunt, hij glimlacht, maar na 30 minuten heeft hij het instrumentje met uiterste precisie gerepareerd.

Na tientallen testen op kladblaadjes is hij uiteindelijk bereid om ook in ons paspoort zo’n stempeltje te drukken.


Intussen kregen wij uit de lange rij al verwijtende blikken, waarom het zo lang duurde, papieren misschien niet in orde, visum vergeten, ongewenste vreemdelingen? Nee dus, alles oké, behalve een onwillig Indiaas rotstempeltje. Op het vliegveld  wisselen we de eerste dollars voor rupees, ...en we beschikken nu over een stapel hele smerige en plakkerige bankbiljetten.
 

Lokale tijd ’s nachts 2 uur arriveren we in het hotel. Het tijdverschil met Nederland is 4 uur en 30 minuten.

Toen we in dat hotel, na het drinken van een paar pilsjes, wilden afrekenen bleek dat de vriendelijke ober niet kon wisselen, nou, we hebben gemerkt, dat kunnen die obers heel vaak niet, een aardige doorzichtige truc, nietwaar?
De volgende ochtend een karig ontbijt op het dak van het hotel, koppie thee en geroosterd brood met jam, maar wat een lawaai komt er van de straatjes beneden.
Alle riksja’s bellen, alle auto’s toeteren. Over de balustrade bewonderen we het verkeer: een eerste kameel die een kar trekt, mannen, jongens, die gammele handkarren met groente en fruit vooruit duwen, veel fietsriksja’s, veel motorriksja’s, prachtig! Wel een chaos, wat een drukte!

Als ooit in Nederland weer eens iemand zegt dat het vol is, dan is-ie nog nooit in India geweest.
 
Na het verlaten van het hotel, bewegen we mee in de massastroom van dit Indiase verkeer, kleurrijke wandelaars, veel op oude slippers, kerels met grote grijze baarden en tulbanden op scooters, natuurlijk al die koeien, oude, roestige gedeukte auto’s, de APK-keuring is hier nog echt niet doorgedrongen, grote extreem volgeladen vrachtauto’s en natuurlijk, al die tientallen, nee, honderden riksja’s.

En een stank, bedwelmend, geuren van stront, van uitlaatgassen, smog, geuren van allerlei kookkunsten van producten die op straat worden aangeboden, alles dringt diep in de poriën van onze longen.

We zien de eerste mensen met kapjes voor hun mond. En begrijp goed, SARS was nog niet bekend, daarvan hoorden we pas een maand later.
Die kapjes en sjaaltjes dienen hier om de ergste verontreinigingen van het dagelijkse verkeer buiten je eigen ‘poort’ te houden.

We gaan met zo’n motorriksja door de stad, het is kuchen en lachen, alles krioelt door elkaar, meestal raken ze elkaar net niet.

Soms wel, onze taxi veroorzaakt een zesentwintigste deukje in een auto, maar na een paar verwijtende blikken over en weer, rijdt ieder weer door.

We zien prachtige kleine winkeltjes, kopen ook sjaaltjes tegen die smog, ontmoeten heilige koeien, die hun kop in onze riksja steken, ontwijken de overal op straat liggende stront, we komen bedelende kinderen tegen, bedelende moedertjes met baby'tjes op de arm, de eerste saddhu’s, de zogenaamde heilige mannen, die ook leven van de aalmoezen van toeristen.
 
We bezoeken ons eerste Moslimschooltje waar de kleintjes de grammatica van de Koran onder de knie moeten krijgen en de al iets oudere kinderen de dikke Koran uit hun hoofd moeten leren.

Het was een kabaal en af en toe moet er iemand naar voren komen om het geleerde van die dag op te dreunen aan de meester.

En net als bij ons zijn ze blij als ze uitverkoren zijn om thee voor ons te halen... het is gezellig...

Overal marktjes, de een verkoopt bananen, z’n buurman verkoopt pepers, een ander probeert het met druiven.

 

We komen pikzwarte mannen tegen, de houtskoolmakers, sieradenverkopers en rommelverkopers.

Er sjokt een tweetal oude ossen met een wagen door de steeg, het past allemaal net.

Om de paar meter verkopen ze lekkere hapjes, ze bakken het op straat in grote pannen, een soort oliebollen, het barst er van de kleine winkeltjes, sommige zijn niet groter dan een kast, het ruikt allemaal fantastisch, het verdringt de geur van de smog, maar we durven niets te kopen.

We kennen de verhalen over de maag- en darmklachten, dagenlang diarree.

Dat willen we voorkomen!  

 

Het water in India, dat uit de kraan komt, is niet drinkbaar, althans voor ons niet. Wij kopen flessen water. We willen niet ziek worden. Haha, maar dat is dus mooi niet gelukt...

Dit is het straatbeeld van India, hiervoor kwamen we naar India, nu vonden we het nog prachtig...

 

Verder naar Jaipur


 
Wiebe