AziŽ - IndonesiŽ - Rondreis Joyce - Java

Java
Tekst: Joyce Frey
Reistijd: februari 1997

IndonesiŽ

 

 

Telaga Warna - Volgens Adi "Het mooiste meer ter wereld"

 
 
Na een lange reis, van Zürich naar Singapore en Jakarta, was ik in Jogjakarta aangekomen. Ik was doodmoe, want in een vliegtuig kan ik niet slapen. Toen ik uit het vliegtuig stapte sloeg de hitte me bijna neer. Ik was uit de sneeuw en het ijs gekomen. Voor het gebouw stond een jonge man, de me deze paar dagen op Java begeleiden zou. Hij zei dat er nog een Amerikaan mee moest reizen, maar die kwam niet opdagen. Zo ervoer ik, een chauffeur én een gids voor mij alleen te hebben. We reden naar een hotel, waar ik na een kort gesprek alleen gelaten werd.

Bij ons in Zwitserland, had ik in de krant vluchtig gelezen, dat een vulkaan uitgebarsten was op Java en vroeg de gids of ik dat zien kon. Hij zei: "Die vulkaan breekt pas over drie dagen uit." Ik dacht, we spreken niet dezelfde taal en ik was moe. Dus liet ik het erbij. Morgen zou de reis pas echt beginnen. Eigenlijk was ik rijp voor een slaapje. Maar bij deze warmte en in een vreemd land, kon ik niet aan slapen denken. Ik schoot in mijn korte broek en topje en ging de straat op om de omgeving te zien.
 
Eerst dacht ik, die mensen kijken me zo boos aan, omdat ik een vreemdeling ben. Toen het mij opviel, dat die vrouwen allemaal met een lange rok en een passend hoofddoekje liepen, dacht ik: "O schrik. ik ben hier in een moslimland, mijn blote armen en benen mag ik hier niet laten zien." Ik ging weer terug naar het hotel om een lange broek en een T-shirt met lange mouwen aan te doen.

De volgende morgen gingen we naar de Prambanan tempel. Dat was fantastisch! Adi, mijn boy, was een stuk meegekomen om er een hoop over te vertellen en liet me toen alleen gaan om alles te bekijken. Ik stond voor een van de tempelcomplexen, toen een Japanner mijn camera uit de hand trok. Ik dacht: "Dag camera". Maar de Japanner lachte en zei dat ik voor het gebouw moest gaan staan. Ik deed het en hij maakte een foto van me. Toen kreeg ik de camera van de vriendelijk lachende man terug.


Prambanan tempel


Later gingen we naar een vogelmarkt. Adi waarschuwde me, dat het daar er zou stinken. Maar dat nam ik graag op de koop toe. Verschillende vogelsoorten waren in bamboe kooien uitgestald. Hier is de vogel huisdier nummer één. De mensen liepen langs de kooien en bekeken die beestjes. Maar niet alleen vogels waren te koop. Ook vers voer. Kistjes met kruipende en vliegende insecten werden aangeboden om hun lievelingen te verwennen.
 


Jogjakarta

Ik zag een jongen, die een bruin zakje bij zich droeg. Het leek me wel leuk om een onsje levende vliegen, kevertjes of wormen te kopen. Het stonk er inderdaad. Vliegen die nog niet als vogelvoer gevangen waren, vlogen er nog genoeg vrij rond.

Na het middageten, dat Adi, die een hollebollegijs was, mij liet betalen, gingen we naar een weverij. Daarna reden we naar het paleis van de sultan en naar het badhuis van die sultan, dat een eind verder lag. Een heel oud gebouw, dat ooit wit geweest was. Maar het zag er indrukwekkend uit. Vroeger was een badhuis een privilege van het hof geweest. Nu was het een plaats waar rust heerste. Een paar jongens zaten op een muurtje boven het zwembad en deden alsof ze lazen.

Het bad nodigde niet uit tot zwemmen, want het badwater zag er naar uit alsof het ook al een paar honderd jaar oud was. We gingen weer naar het hotel. ik vroeg Adi nog eens naar die vulkaan die uitgebarsten was en hij zei, die barst morgen pas uit. Ik dacht: "Hij is niet goed wijs".
 
De volgende morgen, voor zeven uur, gingen we al weer op weg. Eerst reden we over een lange weg door een mooie omgeving. Dan merkte ik dat we stegen. We kwamen in Wonosobo aan. Daar was de straat verstopt, omdat auto's in het midden stonden om hun waren uit te laden die op de markt verkocht moesten worden. De meeste mensen waren in dekens gehuld. Een paar droegen zelfs een wollen muts en handschoenen. Die waren ook niet wijs. Toen het te lang duurde, stapte Adi uit om de weg vrij te krijgen. Hij zei dat ik moest blijven zitten. Een poos deed ik dat ook. Toen wilde ik weten of het echt wel koud was. Ik zei tegen de chauffeur dat ik uitstappen wou. Dat mocht ik, als ik beloofde niet verder dan 'n meter van de auto weg te gaan. Ik was braaf, beloofde het en deed het. Toen ik buiten kwam moest ik bijna lachen.


Wonosobo


Het was hier niet heet, maar toch ook niet zo koud, om je in een dikke deken te moeten vermommen. Adi was terug gekomen. We liepen terug naar de auto en het duurde niet lang meer tot dat we verder konden gaan. We kwamen op het Dieng Plateau aan. Adi zei dat ik mijn trui moest aantrekken, want het was ijskoud hier, maar achttien graden.
 


Dieng Plateau

Het plateau lag op een hoogte van ruim tweeduizend meter. ik trok de trui aan die ik moest meenemen en stapte uit de auto. Het was niet verkeerd een dun truitje aan te hebben, maar ijskoud is het voor mij pas als het water hard gaat worden. Het stonk naar zwavel en overal rookte het. Ik moest uit kijken waar ik liep, want overal kookte in kleine putjes, water. Adi zei dat je hierin eitjes kon koken. Ik dach: "Ook tenen, als je niet uitkijkt." We liepen naar het Telaga Warna meer, dat voor Adi het mooiste op de wereld was. Het meer was merkwaardig. Voor mij was het niet het mooiste, maar wel het meest sprookjesachtig. Stammen en palmen hingen over het water gebogen. De mist hing er boven, zodat je verwachtte dat "Nessie" ieder moment boven water kon komen. Schotland kon niet veel anders zijn. We gingen weer over de kokende watergaten; een daarvan was erg groot. Omdat ik nieuwsgierig ben ging ik dicht naar de rand om het beter te kunnen zien. Adi schreeuwde dat ik moest terug komen. "Is dit dan de vulkaan die gaat uitbarsten?", vroeg ik. "Nee", zei hij geŽrgerd.
 
We bekeken nog een paar kleine tempels en hij vroeg of ik er nog meer wilde zien. Ik had de balen van tempels en zei dat we verder konden gaan. We gingen eten. Adi stopte zich weer vol op mijn kosten. dan gingen we naar een andere tempel.

Maar dit was geen gewone tempel. Het was de tempel van Borobudur. Toen ik  in het park onder de tempel stond, voelde ik me zo klein, een stofwolkje, een mier die voor een hondenhokje  stond. Zo geweldig was dit complex, dat in de vierde en vijfde eeuw werd gebouwd. De tempel was verloren gegaan, totdat de Engelsen het in de negentiende eeuw weer ontdekten. Tenslotte hebben de Nederlanders het in de twintigste eeuw, in opdracht van de Unesco, weer opgebouwd. Natuurlijk wilde ik omhoog, naar die gebouwen gaan. Bovenop waren de stupa's. Om de gigantische stupa stonden 72 kleinere exemplaren.


Borobudur


Als je je arm door een gat stak en een budha kon aanraken, zou je een gelukkig leven hebben. Mijn arm was te kort, dus moet ik verder een ongelukkig leven krijgen, net zoals de meeste mensen, die geen reuzen waren.
 


De stupa's van Borobudur

Met Adi liep ik later weer naar beneden en hij vroeg of ik nog meer tempels wilde zien of dat ik liever naar het hotel wilde gaan. Ik koos het hotel omdat ik genoeg tempels gezien had. Vergeleken met de tempel van Borobudur, waren alle andere tempels maar miniatuurtjes. Hij vroeg of het goed was een kortere weg te nemen. Natuurlijk vond ik het best. Over een hobbelige weg kwamen we langs idyllische dorpjes en prachtige landschappen. Dit was veel mooier dan die autobaan.

De volgende morgen moest ik vroeg naar Jakarta vliegen en vandaar naar Medan, waar de reis verder zou gaan. Toen ik 's avonds op Sumatra op mijn hotelkamer naar het TV nieuws keek, zag ik een geweldige vulkaanuitbarsting op Java.

Adi had toch gelijk!!!
 

Verder naar Bali


 
Joyce