Peru - Machu Picchu
Tekst: Joyce Frey
Reistijd: februari 2000

 

     
Lima - Amazonas Machu Picchu Cusco - La Paz

Ondertussen was ik aan de hoogte van 3400 meter in Cusco gewend.
Ook aan de weinige slaap die je op deze reis wordt gegund.
Wij, een Zwitsers paar, een Duitse en ik, hadden Lima gezien, net als Cusco en we zijn in het Amazone oerwoud geweest. Vandaag stond het hoogtepunt van de reis op het programma; Om half vijf werden we uit ons bed gegooid.

Het was al gewoonte geworden om zo vroeg te moeten opstaan.
Om zes uur waren we op het station. We hadden gereserveerde plaatsen in de trein. Onze reisleider ging ook mee.
Hij is een knappe kerel, maar vreselijk arrogant. Kort na onze aankomst reed de trein weg.
Voor we de stad uit waren, moest de trein een berg op. Dat ging heel speciaal. Hij reed eerst een stuk naar boven. Dan ging hij weer achteruit naar boven, over een andere rails. Later ging het weer vooruit. Dat ging zo lang vooruit en achteruit, totdat we de berghoogte bereikt hadden.
Vandaar kon de trein gewoon vooruit rijden.
Op de enorme berghoogte graasden koeien, schapen en lama's.
Ook groenten en aardappels gedijden er. De aardappel is bij de Peruaan zeer geliefd. Ze hebben er tweehonderd soorten, die tot op 5000 meter hoogte groeien.
Maar liever hebben ze er hun feest-eten; een gebraden Cavia-tje !

Machu Picchu - de stad

Een klein schattig beestje dat wij als troetelhuisdier houden.
We kregen koffie geserveerd en een pakje broodjes met koek.
Intussen moesten we alweer een flink stuk gedaald zijn. Het karige landschap veranderde in een tropische vegetatie.
Na een rit van drie en een half uur kwamen we aan. Door een kleurige markt liepen we naar een klaarstaande bus. Daar konden we instappen voor de laatste etappe.
Het begin ging nog goed. Dan ging het de berg op.
De weg was breed genoeg om er twee bussen door te laten. Maar het was vol gaten zodat
de bus slalom moest rijden om niet in een gat te blijven steken.
Tenslotte waren we, na vele scherpe bochten, boven aangekomen.
Twee duizend vierhonderd meter. De toeristen gingen verder.
Wij moesten op onze arrogante  reisleider wachten. Het zou vijf minuten duren, maar wij stonden in de volle zon die behoorlijk brandde.
Eindelijk kwam die vent en konden we verder gaan. Een paar ruÔnes waren te zien. De leider zei dat we nog een stuk verder de berg op moesten klimmen. De laatste dagen hadden we al heel wat bergen beklommen en niemand had er nog zin in.
Hij beloofde het langzaam aan te doen. We gingen mee en kwamen al vlug in ademnood. We maakten een kleine pauze en het ging weer verder omhoog.

Hijgend zijn we aangekomen en we moesten erkennen dat de klim zeker de moeite

Machu Picchu

waard was. Als beloning mochten we op een steen gaan zitten en van het uitzicht genieten.
De Machu Picchu lag onder ons. De foto's die je in alle reisgidsen ziet, konden we hier met eigen ogen aanschouwen. Het was geweldig!
De hoge steile berg die gedeeltelijk in de wolken lag.
Er voor de ruÔnes, die bijna nog hetzelfde waren zoals ze er vroeger uitzagen.
Alleen de daken, die vroeger van riet zijn geweest, ontbraken.
Het was niet te begrijpen hoe de Inca's die geweldige granietblokken, die van ver weg gehaald moesten worden, vroeger hier met de handen de berg opgekregen hadden.
De stad was al  vijfhonderd jaar geleden gebouwd en in het begin van de vorige eeuw weer bij toeval ontdekt. Nadat we weer uitgerust waren, gingen we naar beneden om de stad van dichtbij te bekijken.
Weer vond ik het verbluffend , hoe die stenen precies op elkaar paste.
De oude Egyptenaren waren al grote bouwmeesters geweest, maar de Inca's verstonden hun handwerk ook.; Misschien zelfs beter. Weer kwam de vraag, hoe hadden ze die stenen zo kunnen slijpen en hoe hadden ze die stenen de berg op kunnen krijgen? Daar waren de grote gebouwen die eens van de rijke mensen geweest moesten zijn. En ook gebouwen voor de eenvoudige mensen die misschien boeren of bedienden waren.

Machu Picchu - ruïnes

 In elk geval is bekend, dat er bijna alleen skeletten van vrouwen zijn gevonden. Dat doet vermoeden dat hier de zonnemaagden geleefd hebben.
Maar tot nog toe weet niemand wat hier werkelijk geweest is en waarom het ten einde is gekomen.
Het was echt imponerend, een stad te zien die vele honderden jaren geleden, hoog in de bergen, die vaak in de wolken lagen, gebouwd  werd. Ik keek naar beneden waar diep in de afgrond de rivier Urubamba, dat vroeger een heilige stroom van de Inca's geweest is, zijn bruine water met geweld liet passeren.
De tijd om op te breken was weer gekomen. Het was begonnen te regenen. Een paar druppels maar.
Toch, toen we in de bus zaten, hadden die druppels zich vermeerderd en het goot uit de hemel. De weg was al gauw een modderpad.
Nadat we de eerste bocht achter ons hadden, stond een kleine jongen van ongeveer twaalf jaar aan de rand van de weg. Hij zwaaide en riep:"Tot ziens!" Wij vonden dat leuk, het was een afwisseling op de verregende weg. Weer hadden we een scherpe bocht achter ons als weer die jongen daar stond, zwaaide en riep:"Tot ziens!"
Zo ging dat verder, tot we beneden aangekomen waren. Vol modder en drijfnat stond de jongen, die vanaf de berg steil omlaag gerend was, aan de kant van de weg. Hij mocht de bus instappen. Het water drupte van zijn lichaam. Hij lachte en zei nog eens:" Tot ziens!"
Dan nam hij een zakje uit zijn broekzak, dat ook nat geworden was, en ging

Machu Picchu - detail

hiermee rond. Iedereen legde er een paar munten in.
Ik dacht:" Als die jongen dit dagelijks doet, is hij miljonair voordat hij marathonloper is."
In het dorp aten wij nog wat. We keken op onze horloges en dachten opeens dat de trein al vlug zou vertrekken.
Onze arrogante reisleider zat gezellig met de baas van het restaurant te babbelen. Eindelijk gingen we.
We moesten bijna rennen om toch op tijd bij het station aan te komen.
Toen we onze gereserveerde plaatsen wilde innemen, waren die al bezet. De leider haalde er de treinhostess bij die de mensen, die er de pest in hadden, een andere plaats liet zoeken. Ik moest de bank met een Japanner delen.
We konden goed met elkaar praten en de drie en een half uur waren vlug voorbij gegaan.
Het was avond toen we weer in ons hotel aankwamen. De volgende dag moesten we weer vroeg opstaan om tien uur
in de trein te rijden over de Altiplano, naar Puna aan het Titicameer.

Maar dat is weer een verhaal apart.

     

  Joyce