Amerika - Venezuela - Rondreis Joyce - Canaima

Canaima
Tekst: Joyce Frey
Reistijd: februari 1996

Venezuela

 

 

 

 
 
's Nachts om drie uur moesten Caroline en ik in ons hotel opstaan. Midden in de nacht reden we door de menslege straten van Caracas naar het vliegveld. Om vier uur waren we daar en pas om zes uur konden we naar Puerto Ordaz vliegen, waar we moesten overstappen.
 


Prachtbeestje in het oerwoud

In Puerto Ordaz was niemand om ons verder te helpen. Ik liep naar het enige loket van het vliegveld en vroeg wat er verder met ons ging gebeuren. De man die daar zat wist van niets. Ik liet de reispapieren zien en vroeg hem of hij naar het reisbureau wilde bellen om te vragen wat hier aan de hand was. De man sprak met moeite een paar woorden Engels, maar te weinig om elkaar ook maar enigszins te begrijpen.

Een piloot kwam voorbij, die naar zijn vliegtuig wilde gaan. Die spreekt vast wel Engels en kan ons misschien helpen. Ik schetste hem onze situatie. Hij nam het papier uit mijn hand en ging naar de telefoon. Toen hij terug kwam, bleek dat we met hem moesten meevliegen.

Ook twee mannen moesten met ons mee. Ze waren me al opgevallen, omdat ze nogal ongewoon waren. De een zag er uit als een vrouw met lange haren en waggelde met z'n billen. De ander leek op een grote baby met zeer korte haren. Onze groep bestond uit vier personen, die de volgende dagen met elkaar zouden reizen. Ik fluisterde Caroline in het oor dat we voor deze mannen niet bang hoefden te zijn om verkracht te worden.

We liepen met de piloot mee naar het vliegtuig. Ik dacht dat ik droomde. Met dit oude wrak, dat een vliegtuig uit de Tweede Wereldoorlog kon zijn, moesten wij vliegen. Nog een paar andere mensen stapten in. Ik ben niet gelovig, maar ik moest toch even aan God denken en hoopte dat hij ons genadig was, door heelhuids aan te komen. Voordat het vliegtuig de grond verliet, kwam de enige stewardess aan boord. Met een stuk touw bond ze de deur dicht. Dat was echt niet te geloven!

De machine vloog rustiger dan ik verwacht had. Omdat er veel plaatsen vrij waren, kon iedereen gaan zitten waar hij wilde. We hadden alle vier een plaatsje bij het raam genomen. Ik keek naar beneden en zag boomspitsen van verbrande bomen. Een jaar geleden had hier een zware bosbrand gewoed. Ik schrok me wild toen naast mij opeens iets donkers op de bodem van het vliegtuig floepte. De stewardess kwam aangerend om de reddingsboot, die boven mijn hoofd uit het vak was gevallen, in een hoekje weg te schoppen.
 
We kwamen heelhuids in Canaima aan. Voor het vliegveld stond een jeep met aanhangwagen voor passagiers. De piloot ging met ons mee het oerwoud in. Daar stond een hutje waar je tochten kon boeken. Wij wilden naar Angelfalls. Maar daar konden we niet meer heen. De piloot vertelde dat er toch niets aan was, omdat er bijna geen water meer was.

We besloten dan maar naar de Canaima watervallen te gaan. De behulpzame piloot liet ons aan de anderen over. Wij reden verder naar het meer. Toen we er aankwamen zagen we het prachtige meer met zijn watervallen.


We kwamen toch nog aan... phfffoe!


In de verte lagen de Tafelbergen, waar we later nog heen zouden gaan. Maar nu moesten we over het meer varen. Een oude roeiboot lag klaar om ons naar de overkant te varen. We moesten wel zwemvesten aan doen. Wij weigerden dat, omdat we goed konden zwemmen. Bovendien zagen we hier op het meer geen gevaar om te verdrinken. Hans, de zwakkeling, huilde al bijna omdat de zwemvesten te vies waren om aan te trekken. De roeier eiste dat we de zwemvesten zouden aandoen. Dat was verplicht hier. We weigerden allemaal nog steeds om die vieze dingen aan te trekken. Toen stond de man op en zei dat we niet konden vertrekken, zolang wij niet in die zwemvesten gingen zitten. Onze gids voor deze etappe stond al lang in zijn zwemvest en wachtte rustig tot wij dat ook deden. Met tegenzin deden we ze allemaal aan.
 


Met zwemvest...

Nu duwden ze de boot van het strand. We konden instappen. We gingen op de harde bankjes zitten en lieten ons langs de eerste waterval voorbij varen. Het frisse water spoot op onze hete huid en werkte erg aangenaam.

We gingen verder, tot aan de watervallen aan het eind. Daar gingen we aan land. We konden ons van de vuile zwemvesten bevrijden, waarin we aardig aan het zweten geraakt waren. De roeier ging met zijn boot terug.

Onze gids vertelde dat we een eind naar boven zouden moeten klimmen. We gingen de berg op. Het ging door een gebied met veel bomen, die voor schaduw zorgden. Met weinig moeite waren we boven gekomen en konden aan de andere kant van de berg een nieuw meer en een schitterende waterval zien. Het water was hier bruin.
 
Na een korte wandeling kwamen we bij een strandje, waar het zand zů wit was, dat je dacht dat het uit meel bestond. Naast ons raasde de waterval. Het water smakte denderend het meer in. We gingen op het witte zand zitten om bij te komen van de klim.

De gids vroeg of we niet wilden baden. Wij schudden met ons hoofd. Toen vertelde hij dat de bruine kleur van het water geen vuiligheid was. De kleur kwam van de wortels van de bomen die een speciale kracht hebben en verjongend werken. Wij schoten vlug uit de weinige kleren die we aan hadden en doken in onze sexy onderbroekjes in het water, dat niet verjongend werkte, maar wel lekker fris was.

Daarna lagen we aan het melige strand om te drogen. Voordat de broekjes helemaal droog waren, moesten we verder gaan omdat de gids haast had om weer te vertrekken.


Canaima watervallen


In ijltempo rende hij over het plateau. De anderen konden hem bijna niet bijhouden. Ik gloeide en had het gevoel dat mijn onderbroek natter was, dan toen ik uit het water kwam. Het zweet dat van mijn lichaam kwam, stroomde direct in de richting van mijn broek. Ik kon hem niet meer bijhouden. Ik kreeg ineens interesse in ieder struikje en bloemetje, dat ik tegen kwam.
 


Meelwit strand

Mijn gang werd steeds langzamer. Intussen had ik het gevoel een overrijpe tomaat te zijn, die kort voor 't uitbarsten staat. Mijn gezicht moest ook de kleur van een tomaat of aardbei hebben. Ik zag de anderen al een eind voor me. De gids vroeg hoe het met me ging. Ik zei: "Best. Maar ik zag een bloemetje dat ik niet kende".

De weg liep weer naar beneden en eindelijk kon ik verderop bomen zien.


Vochtig gordijn...


De anderen waren daar al bijna. Ook ik probeerde sneller te lopen om eindelijk in de schaduw te zijn. Toen ik aankwam zaten mijn medereizigers al op een omgevallen boomstam. Ik ging ook bij hen zitten en vertelde enthousiast, dat hier zulke leuke bloemen groeiden. Ik kon zien dat de anderen ook rode koppen hadden. Op een rijtje zaten we allemaal uitgeput op de boomstam. We waren allemaal zů kapot, dat niemand er aan dacht een foto van dit zielige stelletje te maken.

De gids liep naar de oever van het meer en zwaaide net zo lang, tot de kapitein van de boot hem zag. Ik kon in de verte zien dat iemand naar een bootje ging en langzaam over het meer roeide. Voordat het drijvend wrak was aangekomen, leken we nog maar half rijpe tomaten te zijn. Hoe heet we het ook hadden, we moesten weer die smerige zwemvesten aan. Maar als beloning kregen we een half liter flesje water, dat de gids trots verdeelde. Het water leek kokend heet, maar ik dronk het begerig om mijn lichaam van nieuw vocht te voorzien.
 


Laguna Canaima met tafelbergen

Toen we het meer waren overgevaren gingen we naar het restaurant om een ijskoud biertje te drinken en een kleinigheidje te eten. Daarna gingen we naar het strand onder de bladen van een palmboom liggen om van deze tour bij te komen.

In de middag moesten we weer naar het vliegveld. Deze machine zag er beter uit dan die van de vlucht hier heen. Zonder problemen komen we in Puerto Ordaz, waar een auto op ons stond te wachten.

We gingen niet direct verder met onze reis. De chauffeur zette ons in een straat af. Daar moesten we op een andere auto wachten.

Niet lang daarna stopte er een wagen voor ons. De chauffeur zei dat we moesten instappen. Ik dacht: "Nu worden we ontvoerd". Maar we reden naar het gebouwtje van de reisorganisatie. We kregen een andere chauffeur en een jongen mee, die een paar woorden Duits sprak. De gids die we eigenlijk zouden krijgen was ziek geworden.

Wij dachten in een hotel even buiten de stad te kunnen overnachten. Na een uur rijden wilden we weten hoe lang het nog zou duren. De jongen zei: "Niet lang meer". Twee uur later kwamen we in Guasipati aan. Wij hadden er de balen van. Vooral Caroline en ik, die al vijftien uur onderweg waren. In Guasipati konden we eindelijk slapen. Van daar zou een lange reis verder gaan, naar de Gran Sabana.
 

Verder naar Gran Sabana - Orinoco Delta


 
Joyce